Dertig jaar geleden, in 1982, kocht ik in Londen het boekje van Alan Watts, The Way of Zen. Een paar jaar terug herlas ik het. Toen ik mijn onderstrepingen en in de kantlijn gekrabbelde aantekeningen zag, realiseerde ik me dat ik er indertijd niets van begrepen had.

In 1982 was ik in het derde jaar van mijn geschiedenisstudie en probeerde ik soep te koken van wat ik leerde tijdens mijn verblijf aan de universiteit. Een onderliggende vooronderstelling van het wetenschapsbedrijf is dat er een correspondentie bestaat tussen subject en object, tussen de beoefenaar en de realiteit die hij of zij bestudeert.

In het geval van de geschiedenis leidde dit bij mij tot vragen en twijfels. Het gebeuren in de tijd werd behandeld alsof het een schouwtoneel is waarop Bismarck, Napoleon en Luther nog altijd voortleven. Je kunt er in woord en geschrift een voorstelling van maken en er samen met anderen over oordelen in hoeverre deze al dan niet waarheidsgetrouw is. Maar is het eigene van de geschiedenis niet dat deze verglijdt, voorbij is? Hoe is het dan mogelijk dat je deze probeert te reconstrueren? Hoe kun je werkelijkheidsaanspraken rechtvaardigen voor een object dat er per definitie niet meer is?

Ik studeerde aan de Vrije Universiteit, in een grauwe betonkolos in Amsterdam-Buitenveldert die naar mijn gevoel altijd een soort doodsheid uitstraalde. Onze professoren nodigden ons graag uit tot zelfstandig denken, maar toen ik deze vraag in mijn tweede jaar tijdens een college stelde, werd ik een beetje boosaardig als een kleine jongen in de hoek gezet. Ik voel nog de spanning snijden door het gehoor in de collegezaal op de negende verdieping. Veel studenten waren in die tijd bezig met marxistisch gehobby, dus ik bevond mij in dubbel opzicht buiten de orde. Tja, wat moest er van je worden wanneer je zulke vanzelfsprekendheden ter discussie stelde? Mij werd aangeraden maar filosofie te gaan studeren wanneer zulke vragen zouden persisteren.

En persisteren deden ze. Dus begon ik een rusteloze zoektocht bij andere wetenschappelijke disciplines. Ik volgende colleges in de geschiedenis van de filosofie, logica, taalfilosofie en kennis- en wetenschapsleer, maar ook in de vergelijkende literatuurwetenschap, semiotiek, sociologie en nog het een en ander. Bij filosofie maakte ik in de colleges kennis met Edmund Husserl, Emmanuel Levinas, Jürgen Habermas en anderen. We lazen samen uit Kant, Hegel, Heidegger, Sartre en andere meer en minder bekende filosofen. Ik leerde veel van mijn academische omzwervingen, maar nooit vond ik een antwoord op mijn vragen. In deze periode begon ik mij buiten het studiecurriculum om bezig te houden met denkers zoals Arthur Schopenhauer en Carl Gustav Jung en te lezen over stromingen variërend van theosofie tot boeddhisme. Zodoende kwam ik terecht bij The Way of Zen van Alan Watts.

Maar het kwartje wilde niet vallen. Het vertrek van de universiteit met twee doctorandustitels op zak was in zekere zin dan ook een vlucht voor mijn vragen, een vlucht in de praktijk van het leven. Zo makkelijk laten je demonen zich evenwel het zwijgen niet opleggen. Mijn onopgeloste vragen hebben me altijd begeleid, waarheen ik ook ging. Soms leken ze even weg, maar altijd staken ze opnieuw de kop op.

Zoals een vis het water niet waarneemt waarin zij zwemt, zo was ik ziende blind voor een besef dat pas veel later zou komen: dat dingen met je verstand beredeneren maar één manier is om tot waarachtige bevindingen te komen. Ook toen ik een kwart eeuw later, in 2007, ziek en wel, mijn eerste lessen zenmeditatie volgde, probeerde mijn hoofd krampachtig te registeren wat er met mij gebeurde. Elders op deze site, in mijn artikel ‘Hoe het hart begon te zingen’, heb ik het moment beschreven dat het kwartje wel viel, en bleef vallen.

De afgelopen vijf jaar heb ik de tijd die ik noodgedwongen tot mijn beschikking had, kunnen gebruiken om de nieuw ontdekte modaliteit van ervaren te omlijsten met literatuurstudie van zen en boeddhisme. Geleidelijk is mijn boekenkast bevolkt geraakt met een nieuw soort titels. Onverwachts schiet mijn geschiedenisstudie me nog te hulp omdat ik kan terugvallen op vaardigheden om materiaal te verzamelen en bronnen kritisch met elkaar te vergelijken. Iedere gedachte aan correspondentie met een objectieve historische realiteit wordt krachtig de kop ingedrukt door de leefwereld van zen en taoïsme die een heel andere benadering kennen van ‘de’ werkelijkheid.

Op de pagina’s die volgen heb ik mijn favoriete boeken op het gebied van zen en boeddhisme bijeengebracht, ongeveer veertig in getal, alle voorzien van een kortere of langere bespreking. Ik hoop dat deze selectie uit mijn bibliotheek anderen tot inspiratie mag strekken.

De indruk zou allicht kunnen ontstaan dat ik tegenwoordig uitsluitend over zen en boeddhisme lees. Het tegendeel is het geval. Ik lees snel en gemakkelijk over een veelheid van onderwerpen, voor zover mijn gezondheid me daar de ruimte voor laat. Op deze site verschijnen ook artikelen die hoegenaamd geen betrekking hebben op spiritualiteit.

Klik hier om naar mijn favoriete boekencollectie over zen en boeddhisme te gaan.

Meer informatie:
De Vrije Universiteit heeft tegenwoordig in hoogleraar in de boeddhistische filosofie in de persoon van prof. dr. André van der Braak. Deze heeft in zijn inaugurele rede, uitgesproken op 14 september 2012, ook aandacht besteed aan het ‘kunstmatige’ (mijn uitdrukking) van de subject-objectrelatie en uitgelegd hoe dit in het boeddhisme kan worden ‘doorbroken. Ik ken André als docent van het Kanzeon Zencentrum Amsterdam waar ik zelf mijn eerste schreden op de zenweg heb gezet. Meer over hem op zijn website.