Een vriendschappelijk advies aan de Vrienden van het Boeddhisme voor hun symposium aanstaande zondag: mediteren is belangrijker dan discussiëren. Waarmee ook zeer wel de zin zou kunnen ontvallen aan de vraag of boeddhisme zonder karma mogelijk is

boeddha.JPGVanochtend tufte ik op mijn Grote Voertuig in de novemberkou over een plaatselijk landweggetje. Lege, met rijp belegde weilanden waren zichtbaar tot aan de einder, met vrij spel voor de vogels. Kaarsrechte sloten, her en der omzoomd door een bomenrij. En af en toe een oude boerenhoeve.

Wat moet het toch heerlijk zijn geweest om als rondzwervende zenmonnik een eeuw of wat geleden lichtvoetig door zo’n landschap te hebben getrokken, zei de romanticus in mij op zijn elektrisch voortbewogen scootertje. Overnachten in de natuur, eten van wat de bomen en planten je geven. Maar, sprak alras de realist, om in een dergelijke vrijheid te leven, moet je daar wel eerst de geest voor hebben gekneed en geoefend. Want dat is de gulden regel van het boeddhisme, van Gautama tot aan Bodhidharma en hun beider nazaten: bevrijding vind je eerst wanneer je hebt geleerd de streken van de geest te doorzien en je te bekwamen in een bijbehorende, gedisciplineerde vorm van leven.

Raadseltaal
De boeddhistische literatuur is dan ook rijk aan titels als Understanding Our Mind (een boek door Thich Nhat Hanh). In het Engelstalige boeddhisme kom je het overal tegen, dat woordje ‘Mind’. Het is hetzelfde ‘Mind’ dat je bijvoorbeeld aantreft in ‘Mindfulness’. Als je niet oppast, dan lees je er mettertijd gewoon overheen, zo vanzelfsprekend wordt het. Maar wat is dat eigenlijk, ‘Mind’? Geest? Zoals in Boeddha in lichaam en geest (eveneens een titel in vertaling van Thich Nhat Hanh)? Of misschien: ‘bewustzijn’, of ‘kennen’, of ‘aandacht’, of gewoon allemaal, een beetje zoals het uitkomt, afhankelijk van de zinssamenhang?

Je kunt hier een behoorlijke boom over opzetten en dat hebben boeddhistische denkers van allerlei pluimage ook gedaan in de eeuwen nadat Gautama ze achterliet met zijn wijze raadseltaal in de aan hem toegeschreven leerredes. Het boeddhisme heeft filosofen gekend die in finesse niet onderdeden voor ‘onze’ Kant, Hegel of Schopenhauer.

Maar wat de Dharmakirti’s, de Buddhaghosa’s, de Nagarjuna’s en de Vasubandhu’s ook bedachten aan theorieën, de grote gemene deler van al hun inspanningen is toch altijd geweest dat niemand de cirkel rond kreeg zonder ezelsbruggetjes te veronderstellen of binnen te smokkelen. Gautama heeft het grote geheim van zijn inzicht meegenomen in zijn graf en niemand is er ooit in geslaagd zonder bepaalde aannames over zijn bedoelingen in filosofische vorm soep te koken van anatman, karma, wedergeboorte, voorwaardelijk ontstaan, leegte en wat dies meer zij.

Het is om hoofdpijn van te krijgen. Sinds de negentiende eeuw hebben boeddhadeskundigen zich er inderdaad het hoofd over gebroken wat Gautama en geestverwante filosofen na hem zeiden, of bedoelden, of zouden hebben kunnen bedoelen, of zouden hebben moeten bedoelen, aangevuld met de kennis en de inventiviteit van nu.

Er waren denkscholen in de eeuwen na de Boeddha en er zijn boeddhistische denkscholen tot op de dag van vandaag. Ieder kan eruit halen wat er van zijn of haar gading bijzit en misschien, zeg ik als raspragmaticus, is dat maar goed ook, want bevrijding kent 84.000 vormen, evenveel als de porieën die het lichaam telt, zoals de vroege denkers van het boeddhisme meenden te kunnen becijferden.

Rode draad
Wie mijn stelling wil weerleggen over de uiteindelijke ontoereikendheid van de boeddhistische filosofie, nodig ik graag uit om eerst kennis te nemen van het artikel ‘Mind in Indian Buddhist Philosophy’ in de Stanford Encyclopedia of Philosophy (online te raadplegen, link onderaan mijn artikel). Mijn poging deze berg hooggespecialiseerde kennis te verstouwen (met uitlopers tot in Tibet, China en Japan en het Westen), heeft mij enkele weken aan intellectuele pijniging gekost.

Dus ik zal geduld betrachten bij het afwachten van reacties, al bestaat de kans natuurlijk dat er mensen bestaan die snuggerder en sneller van bevattingsvermogen zijn dan ik. Ook hun reacties zie ik met belangstelling tegemoet.

Er is evenwel één grote les van al dat leeswerk die hier niet mag ontbreken en dat is de rode draad van alle boeddhisme en boeddhologie, namelijk dat begrip van deze materie de erkenning veronderstelt dat geest of bewustzijn geacht wordt de (lege) ‘substantie’ te zijn van de werkelijkheid, of dat wij de werkelijkheid slechts kennen via het filter van onze geest of bewustzijn.

‘Mind’ wordt in het Engels losjes gebruikt voor verschillende woorden in het Sanskriet en de talen van Oost-Azië, waarvoor wij in onze cultuur niet zo een, twee, drie een geschikt equivalent beschikbaar hebben. Maar in de culturen waarin het boeddhisme ontstond en later in Azië naar uitwaaierde, was ‘Mind’ nog meer dan alleen geest, bewustzijn, cognitie of aandacht: het was een stuwend levensprincipe in en achter de vormen die de verschijnselen aannemen. En wel een levensprincipe dat wij via (onze geestelijke ervaring van) onze eigen materialiteit, ons lichaam, kunnen kennen.

Levende wezens, met hun zenuwstelsel en kenvermogen, vinden in hun lichaam een microkosmos van de wereld ‘daarbuiten’. Onze adem (een woord dat etymologisch verwant is met het vermaledijde ‘atman’) is de werkzaamheid in ons lichaam van dat geestelijke levensprincipe dat het heelal doortrekt.

Droomtoestand
Voor zover er althans een heelal is ‘daarbuiten’, want niet voor niets gebruiken wij het woord ‘ontwaken’. Het spel dat ons bewustzijn met onze zinnen speelt, is dat van betovering, begoocheling (‘delusion’ in het Engels): het tovert ons een wereld voor ogen die, als we onze geest niet trainen, geheel of gedeeltelijk een soort droomtoestand wordt waarin we slaapwandelend leven. Zonder te doorzien dat deze omkering van ons vaak materialistische, verwetenschappelijkte wereldbeeld de geestelijke bron is waaruit het boeddhisme altijd heeft geput, is het moeilijk uit al die ingrediënten met vreemde namen een voldoende voedzame maaltijd te bereiden.

De Boeddha benadrukte om hem moverende redenen misschien voornamelijk de discontinuïteit (mogelijk uit respect voor het mysterie), maar zonder een vorm van continuïteit te veronderstellen, heeft na hem geen enkele denkschool toegekund, Theravada incluis – zie bijvoorbeeld Buddhaghosa’s ‘bhava-anga’ of levensstroom, Visuddhimagga XV, 39. En dat kon omdat iedereen ankerde in een begrip van de situatie waarin het bestaan van een diepere geestelijke realiteit als een culturele voorgegevenheid gold, net zoals dat, linksom of rechtsom, voor alle tegenwoordige boeddhisten geldt – althans, dat hoop ik maar.

De verschillen tussen scholen werden en worden om sektarische redenen uitvergroot. Maar gelukkig is er dus iets wat ons allemaal verbindt, niet in gedachten, maar zo je wilt in ‘geloof’, al spreek ik liever over ervaring. In het Westen verklaart dit mede de aanzuigkracht, de magneetwerking van het tegenwoordige boeddhisme.

Alles wordt anders wanneer je je in deze omkering verplaatst. Anatman, karma, wedergeboorte, voorwaardelijk ontstaan en leegte worden veel makkelijker voorstelbaar wanneer we spreken over een onderliggende geestelijke continuïteit, of die nu van metafysische aard is, of een soort vroeg vermoeden van het bestaan van een onderbewuste betreft.

Hollywood
De Boeddha die met zijn superieure geestelijke vermogens schouwde in de realiteit van honderden, duizenden voorbije levens. Boeddha’s en bodhisattva’s die zich door tijd en ruimte verplaatsen alsof het niets is. Werelden in werelden zoals in de visualisaties van de Avatamsaka Sutra: niets is te dol in het spiegelpaleis van de geest voor wie deze naar behoren traint, in de wetenschap dat je kunt rekenen op de compassie van bodhisattva’s of hoe je dit al dan niet verkiest te noemen.

En wij kunnen in zulke voorstellingen wel mythische beelden menen te herkennen, maar, hoorde ik de Amerikaanse vipassanaleraar Gil Fronsdal pas treffend in een podcast zeggen, de sutra’s werden te boek gesteld in een periode vóór Hollywood, toen men het voor het publiekseffect moest doen met de eigentijdse fantasie.

Deze en andere gedachten bekropen mij toen ik de eerste signalen begon op te vangen van het symposium dat de Vrienden van het Boeddhisme aanstaande zondag, 16 november organiseren over het thema ‘Boeddhisme zonder karma?’ (waarbij ik helaas niet van de partij kan zijn). Ik las daar een goed artikel over van Gerolf T’Hooft, dat een overzicht geeft van de uitdagingen, maar waarin ik de voor de hand liggende oplossingsrichting onvoldoende terugvind: Erken het primaat van de geestelijke realiteit en leef naar je uitgangspunten, zo nodig dwars tegen de tijdgeest in. Want dat ben je als boeddhist verschuldigd aan de geest van het boeddhisme.

En dus, misschien ook, probeer de kwadratuur van de cirkel niet in woorden en gedachten en discussies en argumenten en tegenargumenten te voltrekken. Mediteren (nog toe te voegen aan het zondagprogramma!) is belangrijker dan discussiëren omdat het rechtstreeks toegang biedt tot de ervaring van onze geestelijke continuïteit. Daarmee zou zeer wel de zin ook kunnen ontvallen aan de vraag of boeddhisme zonder karma mogelijk is.

Namu Amida Butsu.


Coseru, Christian, ‘Mind in Indian Buddhist Philosophy’, The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2012 Edition), Edward N. Zalta (ed.), http://plato.stanford.edu/archives/win2012/entries/mind-indian-buddhism/.