Kritisch boeddhisme in een onvrije wereld

Een dissidente Saoedische journalist werd in een consulaat van zijn land in Turkije vermoord. Wat betekent dit voor ons, westerse boeddhisten?

In de Washington Post stond dezer dagen een artikel van een Saoedische dissident die zich in Canada had gevestigd. Hij werd bij herhaling bezocht door twee diplomaten die hem probeerden te overreden terug te keren naar zijn vaderland. In het gesprek openbaarden zich afwisselend de zachte en de harde hand; het ging van “wij zorgen dat je daar een goede baan krijgt” tot en met “we kunnen je familie thuis zo opsluiten.”

Op zijn smartphone nam deze dissident de gesprekken heimelijk op; hij deelde tien uur aan tapes met Human Rights Watch en de Amerikaanse krant. Hij vertrouwde de praatjes van zijn bezoekers niet; anderen die dit wel deden, waren bij hun terugkeer in een gevangenis verdwenen.

De vrije pers in de wereld staat op zijn kop om de vermoedelijke moord op een naar de VS uitgeweken Saoedische journalist die een consulaat van zijn land in Turkije bezocht om een formaliteit te regelen. En terecht. Maar bij alle aandacht voor dit incident, zou een mens bijna vergeten dat beïnvloeding en intimidatie van eigen burgers in het buitenland door diplomaten en anderen aan de orde van de dag is.

Russen, Turken, Chinezen en vertegenwoordigers van andere onvrije landen proberen met alle middelen al te kritisch geachte landgenoten elders in de wereld onder de duim te houden, met de harde of de zachte hand.

Linksom of rechtsom raken deze praktijken aan voor ons vanzelfsprekende waarden van de democratische rechtsorde, zoals vrijheid van meningsuiting of vrijheid van religieuze belijdenis. En dat kan weer van invloed zijn op ons boeddhisme.

Historisch bezien heeft boeddhisme geen schone lei waar het gaat om gemene zaak maken met onvrij openbaar bestuur. Door de eeuwen heen hebben vertegenwoordigers van verschillende boeddhistische scholen erom gevochten als enige in het gevlei te komen van wie er in de lokale omstandigheden in Azië ook maar aan de macht was. Ook de oude Gautama vormde op deze regel geen uitzondering; hij begreep al vroeg dat de lotus alleen met zijn wortels in de modder kan bloeien.

Democratie bestond nog niet. Hoeveel monniken er in een klooster mochten worden opgenomen, hing vaak af van een van overheidswege verstrekte vergunning. Boeddhisme gedroeg zich naar bevind van zaken. Maar boeddhisme had voor machthebbers ook een groot voordeel: het was naar binnen gericht, op geestelijke herprogrammering en spirituele ontwikkeling. Boeddhisme was niet snel een gevaar voor de openbare orde; integendeel, het was – evenals veel andere religies – eerder een naar behoeven plooibaar instrument om gezag uit te oefenen over onderdanen.

Wat ons boeddhisme hier en nu ook is, het is een boeddhisme dat zo kritisch kan zijn als het zelf maar wil, al kost kritisch zijn op zichzelf vaak nog de meeste moeite. Wij mogen ons vrij uiten en ons zonder gevaar voor vervolging publiekelijk zorgen maken over misstanden in Myanmar of Tibet. Ons wordt niet voorgeschreven dat wij in onze meditatieruimte een hoek moeten inrichten waar een wereldlijke heerser of diens favoriete bodhisattva wordt vereerd, of dat we in onze beoefening een boeddhistische versie van Romeinen XIII moeten opnemen.

Nog niet. Maar de liberale wereldorde kraakt tot in zijn voegen, zeker nu de Dolleman in het Witte Huis in Washington zich ontpopt tot een autocratenvriend met bijkomstige kwestieuze mores. In eigen land geeft hij het verkeerde voorbeeld en onvrije landen geeft hij als het ware een vrijbrief om in de wereld huis te houden zoals zij willen, als ze Amerika en Amerikanen maar met rust laten en hem, Dolleman, alle eer bewijzen.

Zelf koester ik een gezonde dosis wantrouwen tegen modern Chinees boeddhisme dat in het Westen zendingswerk verricht en argeloze boeddhisten van hier uitnodigt voor uitwisselingsprogramma’s in China, in kloosters die onder partijgezag staan en waarvan geen monnik zonder vergunning het kloostercomplex mag verlaten. China wordt assertiever en zijn huidige keizer heeft de partijmantra van harmonieuze, vreedzame coexistentie verruild voor de imperialistische ‘Grote Droom’.

Als een kritische boeddhist hecht ik aan de rechtstatelijke paraplu van naar onze maatstaven grondwettelijk gegarandeerde belijdenisvrijheid. En aan een defensie die bijdraagt aan een geloofwaardige afschrikking. Vanuit deze grondtonen zeg ik: westerse boeddhisten, pas op uw zaak. Vrijheid heeft niet alleen een spirituele, maar ook een wereldse betekenis. Maar tussen ons in opereren krachten die lak hebben aan zulke vrijheden. En boeddhisme heeft de historische kwetsbaarheid van het spirituele te bewaken en het wereldse te verzaken. Wij moeten het evenwicht tussen die twee daarom extra goed in het oog houden.

Namu Amida Butsu,

Taigu

Reageren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s